Gabriel Zucman is een Frans-Amerikaanse econoom en een van de wereldwijde topexperts op het gebied van economische ongelijkheid en belastingontwijking. In 2024 verzocht de G20, onder het Braziliaanse voorzitterschap, hem een rapport te schrijven over de belastingheffing van ultra-vermogende personen. Zijn voorstel: mensen met meer dan 100 miljoen euro vermogen zouden minimaal 2% belasting moeten betalen over dat vermogen.

Zucman verdedigde dit voorstel ook expliciet voor de Nederlandse context tijdens een parlementaire hearing in februari op uitnodiging van de Tweede Kamer. Kamerlid Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) vroeg daarop aan staatssecretaris Eerenberg wat zo’n belasting voor Nederland zou kunnen opleveren, of het juridisch haalbaar is en wanneer het uitvoerbaar zou zijn.
Eerenberg reageerde op 6 maart met een brief van acht pagina’s die neerkomt op: het is ingewikkeld, we weten niet zeker wat het oplevert, en internationaal is er nog geen consensus. Maar deze bezwaren kloppen niet, en ondertussen laten de cijfers een schrijnend beeld zien: de rijkste 0,01% Nederlanders betalen gemiddeld 20% belasting over hun inkomen, terwijl Nederlanders met een gemiddeld inkomen 45% betalen. Ons belastingstelsel is daarmee in feite regressief: hoe rijker je bent, hoe minder belasting je relatief betaalt over wat je verdient.

Hieronder leggen we elk bezwaar uit de brief naast de feiten.
“We kunnen de opbrengst niet ramen” en “illiquide vermogen is moeilijk te waarderen”
Deze twee bezwaren hangen nauw samen, maar het is belangrijk om ze uit elkaar te houden. Er spelen hier twee afzonderlijke problemen, die elk om een eigen oplossing vragen.
Het eerste probleem is dat de Belastingdienst geen volledig beeld heeft van wat ultra-vermogende personen bezitten, noch van de waarde daarvan. Het tweede probleem is dat dit vermogen onvoldoende wordt belast. Die twee zijn niet hetzelfde, en het invoeren van een vermogensbelasting lost het eerste niet automatisch op. Een belasting die wordt geheven over vermogen dat de fiscus niet kan vinden of niet goed kan waarderen, is een recept voor een mislukte wet.
Dat de Belastingdienst geen volledig zicht heeft op het vermogen van de rijkste Nederlanders is op zichzelf al een serieus probleem, los van de vraag of er een minimumbelasting komt. Van de overheid mag worden verwacht dat zij weet wat haar burgers bezitten. Die blinde vlek is een beleidsprioriteit op zichzelf, en moet als zodanig worden aangepakt.
Een deel van dat probleem betreft buitenlands vermogen. De automatische uitwisseling van bankgegevens tussen landen heeft offshore belastingontduiking via bankrekeningen teruggedrongen, maar ultra-vermogende personen hebben nog altijd talloze mogelijkheden om vermogen buiten het zicht van de fiscus te houden, via vermogensfondsen, vastgoed en andere vormen van niet-geregistreerde activa. Dit vraagt om verdergaande internationale samenwerking, zoals het voorstel voor een wereldwijd vermogensregister dat inzicht biedt in wie wat bezit, ongeacht waar dat vermogen zich bevindt.
Nederland kent al wel een instrument dat laat zien dat belastingclaims op opgebouwd vermogen kunnen worden veiliggesteld: de conserverende aanslag bij emigratie. Wie Nederland verlaat met een aanmerkelijk belang of pensioenrechten, krijgt een aanslag opgelegd over de opgebouwde waarde op het moment van vertrek. Dat mechanisme bewijst dat de fiscus in staat is vermogen te waarderen en te claimen, ook als het nog niet is gerealiseerd. De vraag is of de politieke wil bestaat om dat principe verder uit te bouwen.
Het meest concrete waarderingsprobleem betreft aandelen in niet-beursgenoteerde bedrijven, die het leeuwendeel vormen van het vermogen van ultra-vermogende personen. Die hebben geen dagelijkse marktprijs, en het vaststellen van hun waarde vereist duidelijke waarderingsregels en bijbehorende administratieve systemen.
De Belastingdienst waardeert dit soort vermogen echter al. Bij overdrachten van niet-beursgenoteerde bedrijven door verkoop, schenking of erfenis is de Belastingdienst in de meeste gevallen verplicht de waarde van het bedrijf vast te stellen. Dat gebeurt in samenwerking met de belastingplichtige, die doorgaans zelf een waardering aanlevert die de Belastingdienst vervolgens toetst met gevestigde methoden en procedures.
Bij een minimumbelasting gaat het bovendien om een beperkte groep belastingplichtigen, die de Belastingdienst al kent en al intensief begeleidt via de unit Zeer Vermogende Personen. Een periodieke waardering van hun aandelenbezit, niet per se jaarlijks, is een beheerbare opgave. Wat ontbreekt is een wettelijke verplichting om die waarde periodiek vast te stellen, samen met de bijbehorende waarderingsregels en administratieve infrastructuur.
Die infrastructuur opbouwen is niet alleen noodzakelijk voor een minimumbelasting. Het zou ook een reeks andere vraagstukken rondom private bedrijven en vermogenstransparantie helpen oplossen. Het waarderingsprobleem is geen reden om de belasting niet in te voeren. Het is een reden om eindelijk werk te maken van iets wat al lang had moeten gebeuren.
“Er zijn juridische risico’s”
De brief waarschuwt dat een vermogensbelasting zonder anticumulatiebepaling juridisch kwetsbaar is. Het argument is als volgt: het huidige Nederlandse belastingstelsel is gebouwd op het idee dat je belasting betaalt over wat je verdient, niet over wat je bezit. Als iemand een vermogen heeft van 100 miljoen maar dat jaar geen inkomen heeft gehad, en de overheid heft toch 2% over dat vermogen, dan betaalt die persoon belasting over geld dat hij dat jaar niet heeft verdiend. Dat zou een schending van het eigendomsrecht kunnen zijn.
Het probleem is dat “geen inkomen hebben” bij de superrijken vrijwel nooit toevallig is. Het is een bewuste en wijdverspreide techniek: wereldwijd maken ultra-vermogende personen systematisch gebruik van dezelfde constructies om belastbaar inkomen te vermijden. Stel je hebt een miljoenenbedrijf, en dat bedrijf maakt elk jaar winst, maar je keert die winst niet uit als dividend, want zodra je dat doet moet je er belasting over betalen. In plaats daarvan laat je de winst in het bedrijf zitten, waardoor het bedrijf nog meer waard wordt. Wil je toch geld uitgeven? Dan leen je het van je eigen bedrijf, of van een bank met je vermogen en aandelen als onderpand. Een lening is geen inkomen, dus daar betaal je geen belasting over. Zucman zegt daarom terecht dat bij de superrijken het ontbreken van belastbaar inkomen niet betekent dat er geen geld beschikbaar is om een belastingrekening te betalen. Het vermogen is er wel degelijk, het wordt alleen zo gestructureerd dat er geen belastbaar inkomen uit voortvloeit. De juridische bescherming die bedoeld is voor mensen die werkelijk geen middelen hebben, wordt hier toegepast op mensen die over enorme sommen geld beschikken, maar die op papier geen inkomen hebben.
“Er zijn juridische risico’s” is geen argument om het dan maar helemaal niet te doen, het is juist een opdracht om het goed te doen. Juridische risico’s zijn bij elke belastinghervorming aanwezig, en ze worden aangepakt door zorgvuldig wetgevend ontwerp.
Nederland heeft de afgelopen jaren op de harde manier geleerd wat er gebeurt als belastingwetgeving juridisch niet op orde is. De box 3-affaire, waarbij de Hoge Raad oordeelde dat het forfaitaire stelsel in strijd was met het eigendomsrecht, heeft de staat miljarden gekost en het vertrouwen in de belastingwetgeving beschadigd. Dat is precies de les die het kabinet hier zou moeten trekken: niet complexe belastingwetgeving, maar slordig ontworpen wetgeving is juridisch onhoudbaar
Internationaal zijn er inmiddels diverse wetgevende trajecten rondom minimumbelastingen voor ultra-vermogende personen in gang gezet. Die ervaringen, zowel de successen als de juridische aanvechtingen, bieden concrete aanknopingspunten waarop Nederland kan bouwen. Een goed ontworpen Nederlandse variant vraagt om een serieus wetgevingstraject waarbij het ministerie van Financiën en de Belastingdienst de lessen uit box 3 meenemen én voortbouwt op de groeiende internationale kennis over dit onderwerp.
“De trailing tax werkt niet door belastingverdragen”
De brief stelt dat een verlengde belastingplicht na emigratie in veel gevallen niet te realiseren is vanwege het Nederlandse verdragennetwerk. Dat klopt gedeeltelijk, maar het is geen reden om het instrument terzijde te schuiven.
Een verlengde belastingplicht heeft direct effect bij emigratie naar landen waarmee Nederland geen belastingverdrag heeft, of waarmee het verdrag verouderd is en weinig bescherming biedt. Dat zijn vaak precies de bestemmingen waar fiscaal gemotiveerde emigratie naartoe gaat. Leenders laat zien dat een verlengde belastingplicht al direct effect heeft bij emigratie naar landen waarmee Nederland geen of een verouderd verdrag heeft, zoals Monaco, de Bahama’s, de Kaaimaneilanden en de Verenigde Arabische Emiraten. Voor landen waar bestaande verdragen wél in de weg zitten, is verdragsherziening een reële optie.
Tegelijkertijd erkent de brief zelf dat er een alternatief bestaat dat minder verdragsrechtelijke complicaties kent: een exitheffing op het moment van vertrek. Dat instrument verdient hier meer aandacht, want het is een fundamenteel onderdeel van elk serieus vermogensbelastingsysteem.
Een exitheffing werkt als volgt: wie Nederland verlaat met een groot vermogen, wordt op het moment van vertrek belast over de opgebouwde waarde van dat vermogen. De gedachte is dat fiscale claims die in Nederland zijn opgebouwd niet verloren gaan doordat iemand emigreert. Nederland kent dit principe al in de vorm van de conserverende aanslag bij emigratie voor aanmerkelijkbelanghouders en pensioenrechten. Dat mechanisme laat zien dat de juridische en administratieve basis voor een exitheffing al bestaat.
Een goed ontworpen exitheffing voor ultra-vermogende personen zou die basis verder uitbouwen. Meerdere Europese landen kennen al zulke heffingen in de inkomstenbelasting, waarbij latente vermogenswinsten bij emigratie worden belast. De precieze vormgeving verschilt, onder meer in de vraag of betaling direct plaatsvindt of pas bij latere realisatie, en de Europese regels rond het vrije verkeer van vestiging stellen voorwaarden waaraan een dergelijke heffing moet voldoen. Maar die voorwaarden zijn bekend en beheersbaar, zoals ook de brief erkent.
Zonder een sterke exitheffing is elke vermogensbelasting kwetsbaar. Met een goed ontworpen exitheffing wordt emigratie als ontwijkingsstrategie grotendeels ondervangen. De infrastructuur om dit te realiseren bestaat al in Nederland.
“Er is internationaal geen draagvlak”
De brief concludeert dat een wereldwijde vermogensbelasting politiek niet haalbaar is en dat Nederland stapje voor stapje wil werken. Maar dit argument wringt, zeker als je kijkt naar wat Nederland zelf al heeft uitgesproken.
De Tweede Kamer nam in april 2024 meerdere moties aan waarin steun werd uitgesproken voor een internationale minimumbelasting voor ultra-vermogende personen, voor aansluiting bij het G20-initiatief voor effectieve belastingheffing van deze groep, en voor het voorkomen dat het belastingverschil tussen arbeid en vermogen verder toeneemt. Die moties zijn aangenomen. Het kabinet heeft zich daar dus al aan gecommitteerd, maar vertaalt dat commitment in de praktijk niet naar concrete stappen.
Het argument dat er internationaal geen draagvlak is, verdient bovendien historisch perspectief. Een internationale minimumbelasting voor multinationals leek lange tijd een radicaal en onrealistisch idee. Toch leidde aanhoudende politieke druk uiteindelijk tot een breed gedragen internationaal akkoord, bekend als Pillar Two.
Datzelfde momentum is er nu voor de belastingheffing van ultra-vermogende personen. Brazilië agendeert het bij de G20, de OESO werkt er inmiddels aan en ook binnen de EU zijn de eerste discussies gevoerd. Nederland speelt in dit proces een merkwaardige rol. Enerzijds klaagt het over gebrek aan internationale samenwerking, anderzijds heeft het actief tegengewerkt bij VN-onderhandelingen over een internationaal belastingverdrag dat precies die samenwerking zou versterken. Die dubbelheid ondermijnt de geloofwaardigheid van het argument.
Internationaal draagvlak ontstaat niet vanzelf. Het wordt gebouwd door landen die hun eigen positie innemen, die wetgeving ontwikkelen en die in internationale gremia niet alleen meepraten maar ook richting geven. Nederland heeft de kennis, de onderzoekscapaciteit en het netwerk om daarin een voortrekkersrol te spelen.
“Dan vertrekken de rijken gewoon”
Dit argument staat niet in de brief van staatssecretaris Eerenberg, maar het duikt op in vrijwel elk debat over het zwaarder belasten van vermogenden. Het idee is dat een minimumbelasting leidt tot een uitloop van rijke Nederlanders, wat het vestigingsklimaat zou schaden en uiteindelijk meer kost dan het oplevert.
De feiten vertellen een ander verhaal. Wereldwijd vertrekken jaarlijks ongeveer 128.000 miljonairs naar een ander land. Dat klinkt veel, maar bij 58 miljoen miljonairs wereldwijd gaat het om 0,22%. En dat cijfer is al jaren stabiel, ook in periodes waarin er volop werd gewaarschuwd voor een grote belastingvlucht. De meeste mensen verhuizen niet vanwege belastingen, omdat verhuizen ook iets kost: familie, netwerk, taal, geworteldheid. Dat geldt ook voor mensen met veel geld.
Opvallend is bovendien dat miljonairs zelf dit beeld niet herkennen. Uit onderzoek onder vermogende mensen in G20-landen steunt bijna driekwart van de miljonairs hogere belastingen op vermogen, en meer dan de helft beschouwt extreme rijkdom als een bedreiging voor de democratie. Het draagvlak voor eerlijker belasten bestaat dus ook onder de mensen om wie het gaat.
Voor de kleine groep die wél overweegt te vertrekken, bestaan de eerder genoemde instrumenten: een exitheffing op het moment van vertrek en een verlengde belastingplicht voor emigratie naar landen als Monaco, Dubai en de Kaaimaneilanden.
Het argument dat een vermogensbelasting het vestigingsklimaat schaadt, verdient bovendien een tegenvraag. De opkomst van extreme rijkdom gaat gepaard met lagere economische productiviteit, meer huishoudens die in de schulden raken en mensen die korter leven. Extreme concentratie van vermogen is daarom juist schadelijk voor een economie.
Een goed vestigingsklimaat wordt bepaald door infrastructuur, onderwijs, rechtsstaat en publieke voorzieningen, zo stelt de eerste kamer en de miljoenennota van 2025, en die worden gefinancierd met belastinginkomsten. Bezuinigen op die voorzieningen om de allerrijksten te ontzien is dus niet alleen oneerlijk, het is ook economisch kortzichtig.
Maar de schade blijft niet beperkt tot de economie. Groeiende ongelijkheid ondermijnt ook het politieke klimaat. Onderzoek laat consistent zien dat extreme vermogensongelijkheid bijdraagt aan polarisatie, aan afnemend vertrouwen in instituties en aan de opkomst van politiek (rechts)extremisme.
Dat besef leeft ook onder vermogende mensen zelf. Uit onderzoek onder miljonairs in G20-landen steunt bijna driekwart hogere belastingen op vermogen, en meer dan de helft beschouwt extreme rijkdom als een bedreiging voor de democratie.33 De veronderstelling dat vermogenden per definitie tegen eerlijker belasten zijn, klopt dus niet. Veel van hen begrijpen dat rechtsstatelijkheid, politieke stabiliteit en sociale cohesie ook in hun belang zijn, en dat die niet vanzelf in stand blijven.
Wat staat er werkelijk op het spel?
De maatregelen, die de staatssecretaris in zijn brief noemt als bewijs dat het kabinet al genoeg doet, zijn een valse druppel op de gloeiende plaat. De verhoging van het lage vennootschapsbelastingtarief van 15% naar 19% levert voor een ultra-vermogende ondernemer maximaal 29.000 euro extra op per jaar. Voor iemand met een vermogen van honderd miljoen euro is dat 0,03% van zijn bezit.
Ons rapport laat ook zien dat in 2025 het totale vermogen van de rijkste 500 Nederlanders van 253 naar 273 miljard euro steeg. Tien jaar geleden was hun gezamenlijke vermogen nog 92 miljard euro, een verdrievoudiging in een decennium. Tegelijkertijd bezuinigt ditzelfde kabinet miljarden op ontwikkelingssamenwerking, zorg en onderwijs.
De brief van staatssecretaris Eerenberg is een reeks uitvluchten van bezwaren die hij voordoet als onvermijdelijk en doorslaggevend. In feite is het uitstelgedrag van een politieke keuze: belast je de ultra-rijken, of bezuinig je door op zorg, onderwijs en ontwikkelingssamenwerking?